Schatkamer – 2e week: D.E.F.

Schatkamer reacties D.E.F.

Bij D denk ik aan Deodata.

Toen onze Koosje geboren was, kwam dokter Lugtmeijer op bezoek. Hij keek in de wieg en zei: “Dag Deodata”. De derde naam van Koosje is Dorothea, het Griekse woord voor Godsgeschenk. De dokter nam dit serieus en groette haar met dezelfde naam, maar nu in het latijn. Ik heb dit erg gewaardeerd.

Vlak voor Kerst 2019 hoorden we dat onze zoon en dochter een meisje verwachtten, dat haar rechterhandje zou missen. Dat was schrikken en is natuurlijk verdrietig. Het duurde even tot ik besefte, dat ik haar innerlijk steeds noemde als ‘meisje zonder hand’. Toen moest ik denken aan Deodata, Godsgeschenk. Als ik dit komend mensenkind recht wilde doen, moest ik haar niet noemen naar haar gebrek, maar naar wie ze ten diepste is, Deodata. Zo heeft ze voor mij geheten tot haar geboorte, een naam die ook moed en hoop geeft. Nu hebben we een mooie Kaat, een pittige dame. Ze zal die pit nodig hebben. Voor mij heet ze van binnen Kaat Deodata.

De E is voor mij Eerbiedig.

Eerbiedig dient onze houding te zijn tegenover God en tegenover alle schepselen.

Het is een ander woord dan “respect”. Dat woord respect heeft de laatste tijd geleden aan slijtage, een kreet om alle mogelijke gedrag maar voor lief te nemen omdat het blijkbaar getolereerd moet worden.

Eerbied heb je voor wie of wat eerbiedwaardig is, het gaat om waarde die blijkt of gebleken is. Waardevol.

Eerbiedig tegenover God onze Schepper. Daarmee zet je een andere bril op dan de natuurkundige bril. De natuurkunde analyseert, denkt vanuit oorzaak en gevolg. De eerbiedige levenshouding leeft uit verwondering, dankbaarheid, aandacht. Dankbaar voor de natuurkundige ontdekkingen steekt ze een spa dieper, blij om betekenis, hoop, vertrouwen op basis van “resultaten uit het verleden”, die ons zijn overgeleverd. Die houding aannemen was in mijn kinderjaren vanzelfsprekend – wereld en schepping viel toen nog samen- maar is in onze tijd, die overheerst wordt door oorzaak-gevolg denken  een bewuste keuze. Een levenshouding die ik moet oefenen.

Eerbiedig zijn voor Gods aangezicht, je eerbiedig gedragen in de kerk, met eerbied omgaan met de natuur en met de mensen om je heen. In die zin hoop ik op meer eerbied.

De F biedt mij nog niet inspiratie. Natuurlijk kan ik wel iets verzinnen, maar er is niet iets dat mijn hart raakt. Dus tot zover.

Hartelijke groet, Rinske


Beste thesaurus, ik vervolg: Fruit doet me denken aan de Het hemels Jeruzalem waar aan de rivier het geboomte des Levens staat. Elke maand een nieuwe vrucht. Vers fruit. Om ons te verzadigen. Mmm!!

 

Hartelijke groet, Linda.

 

D

Dona nobis pacem, een prachtig gebed voor elke dag.

Elke dagleef en beleef ik als gegeven uit Gods Hand.

Deo, Deus, geven een heilige verheven klank aan woorden voor de Eeuwige.

Hij die niet is te doorgronden, en woont in het ondoorgrondelijke Licht (Vondel).

Ik leef van en uit hét LICHT van de schepper, dat gegeven is in de Thora.

Het woord dat de schepping tot aanzijn riep. In mij (ons) het leven wekt en gaande houdt.

Een Schepping waarin níets verloren gaat. Alles voor altijd geborgen in Gods Handen.

Leven door daden van dienen en vieren. 

Durven (lef) en doen. Doen en bidden in één: dabar.

Danken en Lofprijzing (dankzegging) gaat voor alles uit.

Dromen en dragen in Woord en Daad.

E

God is de Eerste, Ene en Eeuwige.

Engelen dragen mij (ons) elke dag. Hemelse engelen, aartsengelen en mensen-engelen.

Gods erbarmen kent geen einde.

De eredienst geeft energie en existentie. Echt evenwicht, eenvoudig en eerlijk.

Zo mogen we erbij horen en evenwichtig leven.

In vertrouwen en hoop.

Voor het eigene, de kleine en grote wereld, de ecologie en economie.

F

Het fundament van mijn leven is dat God in mij (ons) gelooft.

Dat hij als Formeerder ons in de vrijheid heeft gesteld.

Om hier op aarde Zijn Wil (bedoelingen met de schepping, met ons) te doen.

Met die vrijheid mag je frank en vrij in het leven staan en door de wereld gaan.

Dan is het leven vaak een Feest!

Harmen.

F > fluit – een prachtig gedicht van Ida Gerhardt luidt:

De fluit

Voor Titia Langeveld.

 

Ik ken op aarde geen geluid
zoo zuiverend als van de fluit,
een open landschap brengt het mij
jong in de tinten groen nabij,

– schaduw en licht gaan in en uit. – 

Is het de oorsprong van het hout
dat in zich nog besloten houdt
de boom, gevormd in ring na ring,
het loover in zijn fluistering,
het ruischen dat zich wijd ontvouwt?

 Hoor, in de ebben schacht verdoken,
dit stroomen, donker en gebroken,

een oerklank stamelend bevrijd,
een zingen in aanvankelijkheid
en dolen, prevelend gesproken.

 Een adem schiep de eerste mensch
en nu bezielt hij naar zijn wensch
dit hout – met rijzen en met dalen
formeert het tastend ademhalen
de tonen. Langs hun zuiv’re grens

 de reeksen, ijl omhoog getogen
en als in strak azuur ontvlogen
zoo licht en bovenaardsch ontstegen, –
dan dalend in een speelsch bewegen
tot milder wending omgebogen.

 Een heuvelland komt in het licht,
fijn bloeiend gras, trillend gezwicht,
een oeverbocht, het zilver stroomen
van een rivier, gehuifde boomen;
rondom het strenge vergezicht

 der naaldhoutbosschen – Wat bewoog
er onder de satijnen boog
der treurwilgtakken? Aangeloopen,
teer en verwonderd in het open
riviergras dit figuurtje, – hoog

 sloeg er een vogel, parelend klaar –
er viel een vak van zon – en paar
na paar, een losse rand
kwam te bewegen in het land;

dansende, dwalend door elkaar,
met in ontglippen en ontmoeten
een prille drift, een huiverzoete
ontvoering – Uit het verre loover
waait een versluierd roepen over,
een lachen vlucht op lichte voeten,

 een rank, een speelsche fantasie.
D’aanvankelijke melodie
wordt strak, in effen trant hernomen
en trekt voorbij – een naderkomen
van ’t afscheid, dat ik wenken zie.

 Een nauw gewaagde klank – nog even
huivert een ademtocht van leven
langs de versmalde parelrij
der gaten – maakt zich stijgend vrij –
dan dooft omfloerst het lichte zweven.

 Als ging het leven zelve uit
zoo is het ons nu dit geluid
verstierf – wij zien elkander aan,
nog toevende. –